dinsdag 25 januari 2011

“B.V. STAATSBURGER”?

Deze maand een jaar geleden vond in Amerika een zeer ingrijpende gebeurtenis plaats met verstrekkende consequenties. Ook voor ons in Nederland, maar tot nu toe is er nauwelijks aandacht aan besteed. En dat is zeer zorgelijk.

Eerst de feiten. In januari 2010 deed het US Supreme Court uitspraak in de zaak Citizens United v. Federal Election Commission. Het ging om een, in opdracht van een rechts-conservatieve groep, Citizens United, als verkiezingspublicatie gemaakte ‘documentaire’ van 90 minuten. Daarin - maar dat is feitelijk niet relevant - werd Hillary Cinton, senator en presidentskandidaat, tot op de grond toe afgebrand.

Omdat de film was geproduceerd met derdengeld, d.w.z. afkomstig van anderen dan de politici die als kandidaten aan de verkiezingen deelnamen, verbood de Federal Election Commission de uitzending. Wettelijk was het namelijk aan ‘geïnstitutionaliseerde derden’, zoals corporations, unions en andere organisaties, verboden om verkiezingspublicaties, bedoeld om in de direct aan verkiezingen voorafgaande periode uit te zenden, te financieren.

Citizens United ging naar de rechter en de zaak werd tot en met de hoogste instantie uitgevochten. Daarbij werd een beroep gedaan op het zgn. First Amendment. Deze toevoeging aan de Amerikaanse grondwet beschermt elke burger tegen beperkingen in o.a. vrije meningsuiting, door wetgever en uitvoerende overheid. Citizens United stelde dat de corporations die hen financierden als burgers moesten worden beschouwd met een recht op vrijheid van meningsuiting, dat niet door de overheid mocht worden ingeperkt.

Het US Supreme Court gaf Citizens United gelijk. Met tamelijk geforceerd aandoende redeneringen werden in het vonnis zowel de intentie van de oorspronkelijke grondwetgevers, alsook meer dan 100 jaar wetgeving en eigen jurisprudentie terzijde geschoven, die ervan uitgingen dat alleen mensen van vlees en bloed citizens kunnen zijn. Corporations hebben door dit vonnis het recht gekregen hun fondsen aan te wenden om duidelijk te maken dat zij vóór of tegen een bepaalde politiek of politicus zijn (ook al hebben zij geen stemrecht). Dat betekent een aardverschuiving, niet alleen in het verloop van Amerikaanse verkiezingscampagnes, maar gezien de agenda van ondernemingen, ook in politiekeverhoudingen, ten gunste van de Republikeinen.

Wat heeft deze zoveelste bizarre coup in de Amerikaanse politieke jungle nou met ons in Nederland te maken? Bij ons worden parlementariërs toch geacht ‘zonder last of ruggespraak’ van en met wie dan ook, hun werk te doen? Wij hebben toch niet zulke lekkende of opendraaibare sluisdeuren tussen publieke en private financieringen van verkiezingscampagnes? Wij hebben toch een (min of meer?!) duidelijke situatie met betrekking tot het lobbyen bij overheid en parlement door het bedrijfsleven? Nou, inderdaad, ook al waait vroeg of laat veel ‘modern’ geacht Amerikaans gedachtengoed over naar Europa – en dan vooral naar de UK en Nederland – zo bont zullen en kunnen we het hier (voorlopig) niet maken.


Maar erg geruststellend is dat toch niet. Want de denktrant die het US Supreme Court tot zijn beslissing bracht, is ons inmiddels ook helemaal niet vreemd meer! En dan gaat het niet om de rechtsfilosofische, juridische en praktische onvolkomenheden van de beslissing om een zgn. niet-natuurlijk persoon een mensenrecht te geven.

Maar om welke denktrant dan wel? Een van de voorstemmers in het US Supreme Court, Justice Scalia heeft, in de buitengewoon felle polemiek binnen zijn eigen Hof rond deze uitspraak, een gepikeerde niet-juridische rechtvaardiging achteraf geschreven; en dat is een veelzeggende ontboezeming. Hij schrijft dat het niet aangaat om zulke belangrijke spelers in het economisch leven, als grote ondernemingen en banken, deelname aan het publieke (lees politieke) debat te ontzeggen.

Let wel, hier wordt de samenleving/maatschappij op één hoop geveegd met de economie. En in die ene hoop krijgen in één klap economische spelers met een grote concentratie aan financiële middelen en marktmacht, niet alleen het recht om ‘op voet van gelijkheid’ met burgers tot het politiek-maatschappelijk discours toegelaten te worden, maar zij nemen meteen een niet meer door burgers te evenaren voorsprong. 

De echte grote verliezer is dus de burger, d.w.z. burgermaatschappij en leefomgeving, die toch al juist meer en zeker niet minder bescherming behoeven tegen het geweld van corporate America. Waar ooit de veronderstelling heerste dat de economie de maatschappij diende, wordt dus die relatie feitelijk omgedraaid: de maatschappij, inclusief haar bestuurlijk systeem, dient de economie - vertegenwoordigd door ‘ons’ (wiens?) bedrijfsleven en banksysteem. Bye-bye democracy, welcome corporatocracy!

Zo expliciet als de denktrant in deze repliek van een Amerikaanse opperrechter staat, wordt hij bij ons niet toegepast, maar effectief doen wij niet veel anders. In ons politieke discours zijn economie en maatschappij niet meer van elkaar te onderscheiden en is feitelijk de staat van de economie en de overheidsfinanciën de maat aller dingen geworden. Dat was al sedert enige decennia een sluipende verschuiving. Het huidige kabinet weet niet alleen niet beter meer, het verkondigt dat idee als vanzelfsprekend uitgangspunt en hoogste goed.

Om een enkel voorbeeld te noemen: met betrekking tot wetenschap en onderwijs heerst nu de opvatting dat die hun nut en noodzaak nou toch eindelijk eens moeten ontlenen aan het aan de economie toeleveren van innoverende, toepasbare kennis en goed opgeleid personeel. Weg met het idee dat wetenschap toch vooral bedoeld was om antwoord te geven op het hoe, wat en waarom van de onvoorstelbaar grootse, complexe werkelijkheid waarin wij, nietige mensjes ons bevinden. En daarmee ook op de vraag hoe in overeenstemming daarmee te leven; en hoe niet als zielige simpelen van geest, prutsende tovenaarsleerlingen of plunderende barbaren door de snoepwinkel te banjeren. Weg ook met het idee dat onderwijs toch eerstens tot doel zou moeten hebben om wel-ontwikkelde, volwassen burgers te helpen vormen, in staat hun eigen en andermans geluk en welzijn te bevorderen, goede ouders te zijn, van zins en toegerust om naar beste vermogen bij te dragen aan maatschappij en leefomgeving.

Nee, het blijkt nu vooral te gaan om het klaarstomen van economisch kanonnenvoer: ideeën die op de markt gegooid kunnen worden en mensen die niet werken om te leven, maar leven om te werken; en die vooral moeten consumeerderen. Wie economisch succesvol is geniet maatschappelijk aanzien (nou ja, zoals op de Miljonairs Fair dan), wie economisch onnuttig is telt maatschappelijk nauwelijks nog mee, want loopt klap.

Je kunt dan wel, zoals een van de vele kabinetten Balkenende, een nationale discussie op touw zetten over normen en waarden, maar als je ondertussen voortdurend over het feitelijke primaat van de economie blijft toeteren, gelooft daar geen mens in. Het economisch waardensysteem concurreert de veel minder concrete, zachtere, maar oeroude en onvervangbare menselijke waardensystemen de tent uit: die van de gemeenschapswaarden, vriendschapswaarden, familie- en levensrelatiewaarden enz. Die leggen uiteindelijk het loodje tegen de onontkoombare meetbaarheid en de geldelijke verlokkingen en zelfbevredigingen van het economisch systeem.

Daarmee wordt de economie van een middel tot een doel; en daarmee is de basis voor een hoop menselijk ongemak, ongenoegen en ongeluk gelegd. En, ironisch genoeg, ook voor het falen van de economie zelf; want die kan niet zonder het vertrouwen behorend bij echt menselijke relaties. Als er iets is dat de financiële crisis - en de economische erna - in elk geval buitengewoon pijnlijk heeft blootgelegd, dan is het toch wel dat.  

In plaats van economie en maatschappij op één hoop te gooien, zouden wij de maatschappij uit alle macht moeten versterken om een wezenlijk tegenwicht te vormen tegen het enorm opgeblazen, eenzijdig op schaarste, nut, eigenbelang, bezitsdrang en concurrentiestrijd geörienteerde perspectief van de economie. Het huidige economische denken is verworden tot paniekerig oorlogsdenken: eten of gegeten worden. Net als in de USA worden dan ook hier burgers, maatschappij, leefomgeving het slachtoffer van bot economisch geweld.

Als wij op die manier niet meer tot echt humane beschaving in staat blijken, moeten we ons niet verbazen over de groeiende bitterheid in ons maatschappelijk discours (als het nog zo mag heten). En we kunnen evenmin verrast zijn als de rest van de wereld ons mogelijk nog wel economisch en een beetje militair ducht, maar niet meer respecteert. En - of is het juist: want...? - wij onszelf natuurlijk ook allang niet meer. Daarom reageren wij ook al geruime tijd zo overgevoelig als wij ook maar even het idee hebben niet serieus genomen te worden.

Maar wij hebben het in eigen hand onze menselijkheid, ons zelfrespect en en daarmee voor onszelf een wel-levende maatschappij en voor andere landen in de wereld ons wenkende Europese perspectief terug te verdienen.

--------
Voor achtergrondinformatie over de casus Citizens United v. Federal Election Commission, en haar gevolgen, zie Column d.d. 8 februari 2010 op dit blog en http://www.truth-out.org/wal-mart-is-not-a-person66831





























woensdag 12 januari 2011

"KOFFERNENS"


Onlangs een spotje gehoord op BNR van een adviesbureau op het gebied van "kopperet koffernens". Zo klonk het. Mijn aanvankelijk gevoel van weerzin veranderde langzaam in genoegen om de onbedoelde hint.

In ons land kennen wij al heel lang de term 'behoorlijk bestuur'. Die komt voor in het bestuursrecht of administratief recht. De term dekt de moraal en de spelregels van goed overheidsoptreden. In ontkennende vorm, 'onbehoorlijk bestuur', is die term bij het knorrige deel van het publiek misschien meer ingeburgerd geraakt. Maar dat neemt niet weg dat het gaat om een welontwikkeld geheel van bestuurs-theoretische, rechtstheoretische en dito praktische kennis en kunde, een beschaafd land waardig; en anders let tegenwoordig ook de Europese rechter er wel op. Sedert juni 2009 geldt bij ons ook een 'Code goed openbaar bestuur', een goede uitwerking van het morele beroep op de overheid om zich goed te gedragen.

In de afgelopen decennia kwam, naar analogie, de notie op van behoorlijk ondernemingsbestuur. Ook op dat terrein is broodnodig ontwikkelingswerk gedaan; soms zelfs op spectaculaire manier bij de Ondernemingskamer van de Rechtbank in Amsterdam. Maar een rechter moet zich houden aan een wettelijk kader. In ons ondernemingsrecht heeft de wetgever een rechtsregime gewild waarin de (grote) onderneming is onderworpen aan de macht van de ‘eigenaar’ ervan, de aandeelhouder. En dat op een manier waarvoor nergens ter wereld de deur zo vergaand is opengezet. Ook niet in de USA, waar het hele idee zo'n beetje vandaan kwam. In Nederland hebben wij inmiddels gezien – om het misschien meest spectaculaire en schrijnende voorbeeld maar te noemen – met de kaping, vierendeling en het opdweilen door de overheid van de resten van ABN AMRO, dat die deur beslist wagenwijd openstaat.

Toch wilde (en wil) het niet echt vlotten met de moraal en de spelregels van het 'behoorlijk ondernemingsbestuur'. Het is al een tijdje openbaar-bestuurlijke mode om bij ongenoegen over onbehoorlijk gedrag – en daar was (en is) wat je noemt behoorlijk sprake van – een maatschappelijke sector niet meteen aan een wettelijke ketting te leggen, maar die eerst zelf tot een gedragscode te laten komen.

Zo ontstond de zgn. 'Code Tabaksblat', in werking getreden op 30 december 2004, waarvan we sedert 1 januari 2009 een niet spectaculair aangepaste versie beleven. In die code is, buiten de Nederlandse 'behoorlijk bestuur’-lijke tradities om, zwaar geleund op de regels van de Amerikaanse corporate governance. Dat is, zowel daar als hier, het jachtrevier van giga advocatenkantoren, die als het op een conflict met maatschappij en overheid aankomt, graag de kant van de onderneming kiezen. Denkelijk een kwestie van fees, zoals dat heet, want de term 'honorarium' is daar te honorabel voor. Het terrein van de corporate governance valt het beste te vergelijken met een door toxische middelen beschadigde habitat, waar natuurlijk leven zeer problematisch is.

Ook al hoor je tegenwoordig regelmatig Nederlandse politici beweren dat je de slager niet zijn eigen vlees moet laten keuren, als het om grote ondernemingen gaat wordt de overheid ineens heel erg zenuwachtig. De niet publiekelijk erkende waarheid is dat vandaag de dag elke grote onderneming die een beetje oplet, de overheid (van welk land ook), compleet bij de taas heeft, zoals dat in gangbaar spraakgebruik heet. Geen gunstig belastingregiem, lastige arbeidsvoorwaarden, teveel administratieve rompslomp, milieugedoe, kortom een ‘minder gunstig ondernemingsklimaat’? Koffers pakken en wegwezen, naar een land met een ‘behoorlijk’ behoorlijk bestuur.

"Koffernens" dus.

Is het nou niet eens de hoogste tijd achter die modische, aanstellerige, Amerikaans doenerige schijnvertoning vandaan te komen we kunnen het notabene niet eens fatsoenlijk uitspreken! en daar, recht voor zijn raap, oprecht en eerlijk ‘behoorlijk ondernemingsbestuur’ van te maken?