woensdag 26 augustus 2009

De prijs is te hoog voor een waarde van niks

Some men wrest a living from nature and with their hands; that is called work

Some men wrest a living from those who wrest a living from nature and with their hands; that is called trade

Some men wrest a living from those who wrest a living from those who wrest a living from nature and with their hands; that is called finance.

(Epigram from 19th century Great Britain)

Dit citaat wordt met instemming aangehaald op de eerste pagina van "Enough. True Measures of Money, Business, and Life" (Wiley, 2008) door John C. Bogle, oprichter en voormalig CEO van the Vanguard Group of Mutual Funds, 's werelds eerste index mutual fund, met een belegd vermogen van meer dan 1 biljoen US Dollar.

Dit boek is niet alleen zeer kritisch over de financial services industry en de ontoelaatbare hoogte van de cost of finance, maar ook over wanstaltige scheefgroei in de corporate world en in de huidige vrije markt economie.

Zie voor een bespreking:
http://www.thetimes.co.za/Columnists/Business/Article.aspx?id=1035344

In een recent artikel merkt Bogle in dezelfde trant op:

Relying on Adam Smith's "invisible hand", through which our self-interest advances the interests of society, we have depended on the marketplace and competition to create prosperity and well-being. But self-interest got out of hand. It created a bottom-line society in which success is measured in monetary terms. Dollars became the coin of the new realm. Unchecked market forces overwhelmed traditional standards of professional conduct, developed over centuries.
[...]
The malfeasance and misjudgments by our corporate, financial and government leaders, declining ethical standards, and the failure of our new agency society reflect a failure of capitalism. Free-market champion and former Federal Reserve chairman Alan Greenspan shares my view. That failure, he said in testimony to Congress last October, "was a flaw in the model that I perceived as the critical functioning structure that defines how the world works." As one journalist observed, "that's a hell of a big thing to find a flaw in."

[Met dank voor deze tip aan oud Boer & Croon collega, Jacques Wintermans]

dinsdag 25 augustus 2009

Barack Obama "Dromen van mijn vader"

Boek pas nu gelezen; had moeite het weg te leggen, behalve soms bij het middendeel dat gaat over het opbouwwerk in Chicago; dat is wat lang en gedetailleerd. Toch ben ik ook daarin achter elkaar door blijven lezen. Schrijven en vertellen kan Obama in elk geval ook.
Dit verhaal van een onophoudelijke, indringende en soms smartelijke zoektocht naar identiteit, maakt duidelijk dat Obama de vraag "wie ben ik?" heeft leren vertalen in twee andere: "bij wie en wat wil ik horen?" en "voor wie en wat wil ik zorgen?" In het moeizaam bevochten antwoord op die twee vragen vindt hij de oplossing voor zijn pijnlijk beleefde isolement; en dat van zijn niet-blanke landgenoten. In de duidelijkheid en gemoedsrust over zijn ethnische roots vindt hij de ruimte om de grenzen van zijn 'horen bij' en 'zorgen voor' op te kunnen schuiven tot... ja, waar stopt dat bij hem?

Iemand die zijn identiteit niet op de eerste of enige plaats zoekt en vindt bij zichzelf, maar in zijn betrokkenheid op anderen, en die daar zo menselijk, meeslepend en grensverleggend vorm aan kan geven, die heeft een gelouterd, dienend leiderschap verworven van het soort dat ons de weg kan wijzen naar ver 'voorbij de crisis'.

En dan bedoel ik niet de 'crisis' in engere zin - de financiële en economische - maar de culturele, morele en spirituele crisis waarin de Westerse wereld zichzelf heeft gestort. De crisis van de eenzame 'ik', die zichzelf dient te ontwikkelen en ontplooien en het aan zichzelf te wijten heeft als dat niet slaagt, die bezig hoort te zijn met de pursuit of happiness ten eigen behoeve, die zich toelegt op 'rationele nutsoptimalisatie', die hebzucht moet koesteren want die met het najagen van eigen belang de markt en dus de wereld een goede dienst bewijst... Die crisis dus; het door de remmen geschoten, tot in het absurde doorgevoerde uitpellen van het individu uit zijn context, waardoor hem en haar de menselijkheid ontvalt. En daarmee de basis voor eigen en onderling vertrouwen en geborgenheid.

De hemel weet dat Obama dit leiderschap hard nodig zal hebben om mededogen en menselijke maat, op de schaal van een hele natie, ook publiekelijk te verankeren. Dat morele leiderschap ligt nu in de weegschaal tegenover de common wisdom en business savvy van voornamelijk cynisch en keihard lobbyend eigenbelang: 6 geregistreerde lobbyists op elke Representative en Senator.
Ik leefde al intens met Obama mee, maar na dit boek bijt ik er ook nog bij op mijn nagels...
Maar stel - wat ik vurig hoop - dat hij er dáár in zou slagen... waar waren wij, waar zijn wij dan, Nederlanders? Of moet ik zeggen "Hollanders"? Wij met onze traditie van solidariteit, van bereisde wereldwijsheid, van de menselijke maat, van samenwerken of verdrinken? Gaan we de USA dadelijk weer nadoen? Of vinden we zelf de aansluiting met onze allerbeste tradities om er onze nieuwe toekomst - en wie weet, zoals ooit, mede ook die van anderen - mee vorm te geven? Op wie wachten we eigenlijk?

donderdag 20 augustus 2009




De Tragedie van de Meent
Herman Rottinghuis


Het is eigenlijk verwonderlijk dat juist Nederland met zo weinig voorbehoud op het gedereguleerde marktmodel heeft ingezet. Maakte ons land niet ooit, onder leiding van mensen als Sicco Mansholt, goede landbouwpolitiek, door Brussel overgenomen? Een uitgangspunt daarvan was toch dat individuele agrariërs noch het overzicht hebben, noch het belang, noch de hefboom om, door aanpassing van hun eigen productie, problemen voor de hele sector te voorkomen. Daar was (en is) een marktregulerende instantie voor nodig.


Het fenomeen dat individuele deelnemers niet alleen niet in staat zijn het welzijn van een gehele sector te behartigen, maar integendeel rationeel gezien juist ten nadele daarvan zullen handelen, wordt wel Tragedy of the Commons genoemd. Engelse commons zijn wat bij ons vanouds de 'meent' of 'brink' wordt genoemd: gemeenschappelijke weilanden bij of in een dorp, waar het vee bijeen werd gebracht ter beveiliging, voor de handel of om tot kudde te groeperen voor het verweiden. De Tragedie van de Meent is, dat als elke boer doet wat hij denkt dat de anderen doen – telkens stiekem een schaapje of kalfje erbij – de meent snel kaal is. Of, naar analogie: door vroeger uitvaren, de netmazen verkleinen, meer trekken maken en later thuisvaren, de zee leeg. Of door een beetje met de productiemiddelen te rommelen, lucht en water ineens compleet vervuild. Enzovoort.


Tot zover kennen we de problematiek allemaal wel, zij het misschien de term Tragedie van de Meent niet, want die blijkt (in Nederland) geen gemeengoed. Er is dan ook weinig besef dat het om een echt universeel probleem gaat. Niet alleen agrariërs, vissers of knoeiende fabrikanten veroorzaken dergelijke Tragedies, maar marktspelers in alle markten doen dat precies zo. Elke markt is een meent die blootstaat aan overbegrazing, -bevissing of -vervuiling.


Alleen, de ‘meent’ van veel markten is niet zo tast- en zichtbaar als een kalend weiland, steeds legere netten of een rivier vol voorbijdrijvende vis. Het meentaspect zit hem daar in het wederzijdse marktvertrouwen. Ondanks de beste bedoelingen bij het scheppen van marktevenwicht, worden gedereguleerde markten vaak na enige tijd juist toch (weer) sellers’ markets. Want vrijwel zonder uitzondering versterkt de (de-)regulator n.l. niet de vraagkant - dat is heel lastig - maar zet de spelers aan de aanbodkant tegen elkaar op. Met als gevolg dat die aanbodkant al spoedig de vraagkant met een niet meer te overzien aanbod - dat heet een "gedifferentieerd" aanbod - overspoelt en in verwarring brengt.


Daar komt bij dat deregulering vaak ook een bestaande, onberispelijke marktcultuur en -discipline ontregelt, des temeer als een keurige monopolist of een matigende marktleider door de deregulering wordt opgejut of onderuit gehaald. Een mooi voorbeeld is te vinden in de Nederlandse bouwwereld. Daar werden tot begin 90-er jaren, via aannemersverengingen met strenge formele protocollen en openbare verslagen, de lasten van het deelnemen aan peperdure aanbestedingen onderling verdeeld. Dat mocht niet meer van Brussel: dat systeem moest worden ontmanteld; en je kon er dus op wachten: 10 jaar later hadden we het schandaal van de Bouwfraude.
De wetmatigheid van de Tragedie van de Meent voorspelt dat aanbieders, als er geen onderlinge coördinatie mogelijk is of wanneer zij uit elkaar worden gespeeld, uit zelfbescherming het marktvertrouwen wel moeten beschamen. Dat gaat dan goed totdat plots een omslagpunt bereikt wordt en er een vertrouwenscrisis uitbreekt.


Is de tragedie van de wereldwijde financiële 'meent' iets anders dan ingestort marktvertrouwen?! Werd de crisis niet veroorzaakt doordat individuele spelers succesvol vergiftigde producten verhandelden die op kleinere schaal misschien geen kwaad konden, maar juist daardoor tot een bloedvergiftiging in het gehele systeem leidden? Geen van de individuele spelers overzag de schaal waarop het gebeurde, noch het cumulatieve effect ervan; heel typerend voor het ontstaan van een Tragedie van de Meent. De toezichthouders overzagen het zelfs niet eens. Maar die hadden trouwens ook de middelen niet (meer) om op marktmoreel niveau te interveniëren, want dáár vindt de vertrouwensvorming plaats; niet d.m.v. de regels. Wanneer de rechtsregel heerst is de moraal snel overleden, immers.


Als dergelijke professionele (B2B) markten al in zulke complete vertrouwenscrises kunnen raken, hoe zit het dan met consumentenmarkten (B2C)? Het lijkt tegenwoordig wel of het steeds moeilijker wordt nog markten aan te wijzen waarin het vertrouwen van de vraagkant tegenover een hyperventilerende, zwaar concurrerende aanbodkant nog een beetje intact is! Moet er niet steeds meer hype en advertentiebudget tegenaan om ons consumenten te doen geloven dat ons eten toch echt gezond is, onze medicijnen uitsluitend op ons welzijn gericht, ons overal omringende chemische substanties helemaal OK, ons mobieltje ongevaarlijk en ons abonnement goudeerlijk? De crisis van 2009 lijkt een systemische vertrouwenscrisis over vrijwel de volle marktbreedte; om niet te spreken van de volle maatschappijbreedte.


De theoretische hypothese dat markten uit zichzelf tenderen naar optimalisatie en evenwicht – grondslag van het marktdenken – is een desillusie gebleken. We laten ons daar door kwantitatieve representaties van marktdynamiek (mis)leiden. De kwalitatieve dynamiek wordt daarmee niet, te indirect of te laat gereflecteerd. En die bepaalt uiteindelijk het marktvertrouwen; niet de theorie of de cijfers.


Maar hoe dan wel? Zullen strenger, meer internationaal toezicht en dan toch maar weer méér regels het vertrouwen terugbrengen? Kun je wantrouwen tegenover de aanbodkant van een markt, oplossen door dat te vervangen met vertrouwen in de handhaving van spelregels? Dus met vertrouwen in een 'autoriteit', een 'regulator'? In de praktijk heeft die, als het spel zo hard gespeeld moet worden, toch altijd het nakijken?!
Of moeten we heel nieuwe manieren vinden om menselijke betrouwbaarheid te helpen groeien in moderne, compleet ontpersoonlijkte, dus ontmenselijkte marktplaatsen, zoals (internationale) financiële markten? Technische betrouwbaarheid is daar in elk geval maar een miniem onderdeel van, eerder een hygiënische voorwaarde.