Twee dagen later verschijnt op www.opendemocracy.net een interview met Shirin Ebadi, de vooraanstaande Iraanse juriste die, tot woede van het Iraans bewind, in 2003 de Nobelprijs voor de Vrede toegekend kreeg voor haar bevordering van democratie en mensenrechten, in het bijzonder van vrouwen, kinderen en vluchtelingen. Het interview gaat over de vraag of met de revoluties in de Arabische, lees Islamitische wereld, de positie van vrouwen daar zal verbeteren. Zij is daar hoopvol over want, zegt zij: ”The fight for womens’s rights and democracy are parallel. They are two sides of the same coin. And women who fight for equal rights are part of the fabric of democracy. Iranian men have understood that. They know that the victory of women’s rights is the beginning of democracy.” Ze doelt daarmee op de steeds meer, steeds beter opgeleide mannen (en vrouwen) in Iran. Eerder in het artikel haalt zij aan hoe in Tunesië en Egypte hoger opgeleide vrouwen en mannen zij aan zij demonstreerden voor democratie. Haar belangrijkste stelling in het interview is: het zijn niet de Koran op zich noch Islamitische Schriftgeleerden, die de Islam definiëren zoals die in de publieke sfeer wordt toegepast: het is uitsluitend de politiek die dat doet. En zolang die laatste gedomineerd blijft door koppige (oude) mannen, denkt zij dat er van vrouwenrechten en democratie, de twee zijden van de ene munt, niet veel terecht kan komen. Die politiek machtige mannen leggen de Islam uit vanuit hun eigen perspectief en in hun eigen voordeel. Ook al vindt het goeddeels achter de voordeur plaats, vrouwen onderdrukken is precies even ondemocratisch als het onderdrukken van politieke minderheden. Aan de mate van vrouwenemancipatie kun je het democratisch gehalte van een maatschappij aflezen, zegt zij met andere woorden.
Welnu, de parallel tussen de vraagstukken besproken in beide interviews lijkt treffend, niet? Nee, gaat het niet zelfs wezenlijk om één en hetzelfde vraagstuk? Mevrouw Lükerath zegt het zelf met zoveel woorden: “Bedrijven zijn geen democratie…”. En wie definieert er in ons eigen ondernemingsland de toepassing van de islam die ‘corporate governance’ heet? De vraag stellen is haar beantwoorden: de ‘Code Tabaksblat’ is opgesteld door een veertienkoppige commissie waarin niet één vrouw zitting had. Dat was in 2003. Maar kennelijk – en desondanks – is er tegenwoordig nog steeds een aantal spraakmakende vrouwen, dat niet doorziet hoe zij voor een ongeëmancipeerde en ondemocratische kar zijn gespannen, zelfs (of juist?) als hoogleraar in de ‘corporate governance’. Achter de voordeur van de onderneming is de ‘ik’ in mevrouw Lükerath's formulering "wie wil ik in mijn bestuur?”, een man met een vrijwel onaantastbare vrijheid van besluitvorming. En die deze vrijheid bovendien grotelijks zo niet grovelijks in zijn eigen voordeel toepast. Ja, geen wonder dat het zo niets wordt met aantal en macht van vrouwen in het ondernemingsbestuur!
Wie de bovenstaande vergelijking van de twee interviews vergezocht vindt, moet eens ten principale de volgende vraag proberen te beantwoorden: waarom ziet de Westerse beschaving, die bereid is zelfs gewapenderhand haar democratische idealen en waarden in de wereld te verdedigen en aan anderen op te leggen, het blijkbaar als doodnormaal dat 'de economie' – die zich tegenwoordig ook nog eens steeds verder uitstrekt over een steeds groter deel van wat vroeger haar publieke ruimte was! – wordt behartigd door een systeem van ondernemingsbesturing dat goeddeels op ongeëmancipeerde en ondemocratische principes is gebaseerd?
Als mensen, ook vrouwen, in de Arabische wereld hun leven wagen voor gelijkberechtiging en democratie, dan kun je je in alle ernst afvragen of wij ze wel een voorbeeld geven dat mensenlevens waard is.
Als mensen, ook vrouwen, in de Arabische wereld hun leven wagen voor gelijkberechtiging en democratie, dan kun je je in alle ernst afvragen of wij ze wel een voorbeeld geven dat mensenlevens waard is.

